Menu

Maximumtarief voor stadsverwarming


In februari 2009 nam de Eerste Kamer de Warmtewet aan, een initiatief-wetsvoorstel van de fracties van PvdA en CDA (Samsom en Ten Hoopen). De wet bevat de rechten en plichten van de leveranciers en de afnemers van stads- en restwarmte. Bovendien biedt de wet een kader voor de prijsvorming van deze warmte. Dit is vooral nodig om particulieren en andere kleine verbruikers te beschermen. Anders dan de afnemers van stroom en gas, die tegenwoordig vrijelijk van leverancier kunnen veranderen, kunnen de afnemers van warmte dat niet. ‘Klein’ staat in dit verband voor de afname van maximaal 1.000 kW aan warmte.

 

Kern van de wet is het ‘niet-meer-dan-anders’ principe oftewel: afnemers van warmte mogen daarvoor niet meer betalen dan ze kwijt zouden zijn bij een gasaansluiting. Uit een onderzoek van de Rekenkamer in 2005 naar zes warmtenetten was gebleken dat hierbij grote winsten werden gemaakt, wat reden was om de wet te voorzien van een ingewikkelde, tweeledige prijsstructuur om de consument te beschermen tegen de – per definitie monopolistische – warmteleveranciers.

 

Uit een groter onderzoek van de NMa in 2008 bleek echter dat warmteleveranciers geen overwinsten maken. De ingewikkelde prijsstructuur ter bescherming van de consument zou eigenlijk overbodig zijn en in juni 2010 gaf de Kamer minister Van der Hoeven van EZ daarom de vrije hand om de structuur van de wet op dit punt te vereenvoudigen.


De minister stelde daarop voor om nog maar één tarief te gebruiken, aangeduid als het niet-meer-dan-anders-tarief. Ook zou zij kijken naar de gebruikersgrens van 1000 kW per jaar: wie een dergelijke hoeveelheid energie verstookt kan nauwelijks nog als kleinverbruiker gelden. Waar de grens komt te liggen blijft nog even spannend, het nu door de ministerraad geaccordeerde wetsvoorstel van Van der Hoevens opvolger Verhagen gaat naar de Raad van State voor advies en wordt pas later openbaar.

 

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn