Menu

NMa legt regeling voor bepalen 'redelijke prijs' voor blok- en stadsverwarming ter inzage

 

De beleidsregel gaat, zodra de Warmtewet naar verwachting medio 2010 in werking treedt, een belangrijke rol spelen bij het vaststellen van de redelijke prijs voor de levering van warmte via blok- en stadsverwarming. De Warmtewet is een initiatiefwet van de Tweede Kamerleden Ten Hoopen en Samson om verbruikers die zijn aangesloten op stads- en blokverwarming tegen monopolistische leveranciers te beschermen. De Warmtewet raakt alle huishoudens en zakelijke verbruikers met een aansluiting tot 1.000 kW op blok- en stadsverwarmingnetten. Het gaat in totaal om ongeveer 7.000 netten en 800.000 verbruikers. De warmteleveranciers zijn onder andere Eneco, Essent, Nuon, woningcorporaties en verenigingen van eigenaren.

 

Werkelijke kosten bepalen redelijke prijs

Op basis van de wet gaat de leverancier zelf een redelijke prijs voor de verbruikers vaststellen. De NMa bepaalt met deze beleidsregel onder meer welke kosten de redelijke prijs mogen bepalen en hoe deze prijs wordt berekend. Deze redelijke prijs moet een vergoeding zijn voor de werkelijke kosten van de leverancier per warmtenet. Per warmtenet kan dus een verschillende prijs tot stand komen.

De redelijke prijs bestaat volgens de conceptregeling uit een leveringsonafhankelijk deel en een leveringsafhankelijk deel. Leveringsonafhankelijke kosten zijn kosten voor het maken van een aansluiting op een bestaand warmtenet (eenmalige kosten), afschrijvingen, beheer en onderhoud, een redelijk rendement op het geïnvesteerde vermogen, de inkoop van warmte, administratie, innovatie, R&D, en overhead. Eventuele subsidies worden hierop in mindering gebracht. Leveringsafhankelijke kosten zijn kosten voor de inkoop van warmte en bijstookfaciliteiten in het warmtenet.

 

Maximumprijs zorgt voor grens

De redelijke prijs die zo tot stand komt, wordt op grond van de Warmtewet begrensd. De NMa gaat daarom jaarlijks tevens een maximumprijs vaststellen volgens het ‘niet-meer-dan-anders’-beginsel. Dit houdt in dat een verbruiker van warmte niet méér mag betalen dan een verbruiker met een gasaansluiting. De Ministerraad zal overigens met een algemene maatregel van bestuur (AMvB) bepalen hoe de NMa de maximumprijs moet vaststellen. Die AMvB moet nog ter goedkeuring aan de Tweede en Eerste Kamer worden voorgelegd. Onder meer de volgende kosten van gasverbruikers moeten in die vergelijking van het ‘niet-meer-dan-anders-beginsel’ worden meegenomen: de leveringskosten, de transport- en distributiekosten en de kosten voor aanschaf en onderhoud van een CV-ketel. De redelijke prijs en de maximumprijs hebben een terugwerkende kracht tot 1 januari 2007.

 

‘Pooling’

Het is mogelijk dat in de praktijk blijkt dat de redelijke prijs hoger is dan de maximumprijs. Een leverancier zou dan niet al zijn kosten voor dat net vergoed krijgen. In dat geval kan een leverancier aan de Minister van Economische Zaken (EZ) toestemming vragen om zo’n verlieslatend net te compenseren met een of meer winstgevende netten, waar de redelijke prijs lager is dan de maximumprijs. De NMa adviseert de Minister hierbij. Deze compensatie wordt ‘pooling’ genoemd. De redelijke prijs die de verbruiker voor zo’n winstgevend net betaalt, wordt daardoor hoger. Zo krijgt een leverancier toch een groter deel en mogelijk al zijn kosten vergoed en wordt daardoor in staat gesteld om aan zijn verplichting tot het leveren van warmte te voldoen.

 

Voortgang na de terinzagelegging

Na de terinzagelegging van acht weken beoordeelt de NMa de ingediende zienswijzen en stelt zo nodig de conceptbeleidsregel ‘Redelijke prijs Warmtewet’ bij. Deze wordt vervolgens voorgelegd aan de Minister van EZ. De verwachting is dat de NMa de regeling omstreeks 1 maart 2010 definitief kan vaststellen. De regeling treedt overigens pas in werking als de Warmtewet van kracht wordt.

 

Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn